Leren paardrijden: Teugelhulpen

Geplaatst op 27 mei 2019 in Dressuur

Elke week lees je meer over dressuur op onze website. Hulpen zijn de aanwijzingen die jij aan je paard geeft. Een hulp is jouw ‘opdracht’ om bijvoorbeeld te versnellen, vertragen, te wenden of zijwaarts te gaan. Hulpen geef je het liefst zo subtiel mogelijk. Er zijn verschillende soorten hulpen die je aan een paard kunt geven. Vandaag lees je meer over de teugelhulp.

Eerder heb je al kunnen lezen over het geven van hulpen in het algemeen en over de beenhulp en gewichtshulp. Hieronder lees je meer over de hulpen die je met je teugels geeft: de teugelhulp. We gaan er hierbij vanuit dat het paard met een bit gereden wordt.

De teugel dient om de tekens die je met je hand geeft, via het bit over te brengen op het paard. Een goede ruiterhand is van het grootste belang. Een vaste en onafhankelijke zit is een eerste voorwaarde voor een goede hand. Goede handen zijn meestal passief en moeten de bewegingen van de paardenmond direct volgen zonder deze te storen. Dit wordt een stille hand genoemd, dat wil zeggen een hand die ten opzichte van de mond van het paard stil ligt. Om goede teugelhulpen te kunnen geven, moet de ruiter licht en elastisch contact onderhouden met soepele ellebogen, polsen en vingers. De handen bieden weerstand (houden tegen zonder terug te trekken) als je een overgang naar een lager tempo wil maken of wil halthouden. Het weerstand bieden kan ook andere bedoelingen hebben, zoals nageeflijkheid. Je mag nooit trekken! Het is dus zaak dat je onafhankelijk kan zitten en dat je weerstand kunt bieden zonder aan de teugels te trekken, of zonder dat de onderbenen naar voren gaan. Je mag nooit met je hand weerstand bieden voordat je met de kuiten hebt aangedreven.

Als je het paard beter aan de teugel wilt laten lopen, drijf je meer met de kuiten en vang je vervolgens die extra voorwaartse drang op door even weerstand te bieden met de hand, totdat het paard nageeft. Nageven wil zeggen dat het paard zich ontspant in het nek- en kaakgewricht en zo de hulp laat doorkomen. Iedere ruiter moet vanaf het begin leren dat hij met zijn handen nooit drijvende hulpen tegen mag werken. Ook mag de weerstand van de handen nooit groter zijn dan de weerstand van het paard en moet je direct de handen ontspannen als het paard ophoudt met weerstand bieden. De handen moeten ieder aan een kant van de manenkam blijven. Ze mogen er nooit overheen worden gebracht, want het paard zou daardoor over de schouder weg kunnen lopen. De handen beheersen en regelen door middel van de teugels de drang naar voren, die jij met je kuiten opwekt. De ruiter drijft dus als het ware het paard naar het bit toe. Bij de optoming met trens lopen de teugels, die ongedraaid en even lang zijn, tussen pink en ringvinger; de gladde leren kant wijst naar buiten. De aan elkaar gegespte uiteinden van de teugels hangen onder de rechterteugel door aan de rechterkant van de hals. Omdat de juiste houding van je handen zo belangrijk is, is het goed voor jezelf te herhalen hoe je je handen hoort te houden. De handen zijn gesloten. De iets gebogen duimen drukken de teugels licht op de wijsvinger en voorkomen dat de teugels door de hand glijden. De handen staan rechtop en de pols is lichtgebogen. Onderarm, teugel en paardenmond vormen een rechte lijn. De afstand tussen de handen hangt af van de dikte van de paardenhals, omdat de teugellijn ook van bovenaf gezien recht moet zijn.

 

Lengte van je teugels
Om je paard goed aan de teugel te kunnen rijden is het belangrijk dat je teugels op de goede lengte zijn. Als je teugels te kort zijn, word je vaak te veel uit het zadel getrokken en kun je niet meer goed inwerken met je zit. Zijn je teugels te lang, dan heb je vaak te neiging om je teugels korter te maken door deze richting je navel te trekken. Daardoor werk je juist naar achteren en laat je je paard niet naar voren lopen. Als je merkt dat de lengte van je teugels niet goed is, moet je dit corrigeren. Je kunt je teugels langer maken door je vuist iets te open, en je teugels een stukje door je vingers te laten glijden, totdat je voelt dat je weer rechtop kunt zitten. Zijn je teugels echter te lang, moet je deze ‘op maat maken’. Als de linkerteugel te lang is, pakt de rechterhand de teugel over. Je linkerhand gaat open en schuift over de teugel naar voren. Een klein stukje is vaak al genoeg, maar is wel noodzakelijk om de teugels even lang te houden en de aanleuning te bewaren. De hand mag niet over de teugel naar voren ‘wriemelen’ zonder de teugel met de andere hand over te pakken. Dat brengt de elastische aanleuning in gevaar en werkt storend op de paardenmond.

Je teugels tijdens het rijden van oefeningen
Bij het rijden van wendingen en voltes zou jouw buitenhand altijd zo dicht mogelijk bij de hals of schoft moeten blijven, zodat de buitenteugel over de hele lengte tegen de paardenhals aan ligt. In sommige situaties, zoals bijvoorbeeld bij bergaf rijden of als je over lange afstanden in de verlichte zit rijdt, kun je gebruik maken van de teugelbrug. Daarmee kun je beter je evenwicht bewaren. Haal het uiteinde van de linkerteugel tussen duim en wijsvinger door de volle rechterhand, zodat een circa 15 tot 20 centimeter lang tussenstuk tussen je linker- en rechterhand zit. Je legt het tussenstuk voor de schoft op de hals van het paard en houdt het met beide duimen naast de manenkam vast. Je duimen vormen zo een draaipunt, waarmee je een constante aanleuning met de paardenmond kunt houden.

Fouten in de teugelhouding:

  • Stijve polsen. Dit belemmert de elastische verbinding met de paardenmond.
  • Open handen. Het gevolg van open handen is dat je teugel steeds langer wordt. Om het paard terug te nemen, moet je nu je handen naar je buik brengen.
  • Platte handen. Met zogenaamde pianohanden kun je geen subtiele teugelhulpen vanuit de pols geven. Je moet deze hulpen dan vanuit je hele arm of zelfs vanuit de romp geven. Vooral bij het aannemen van de teugels is dit bijzonder lastig.
  • Handen over de manenkam. Het over de manenkam brengen van een van je handen is een ernstige fout. Hierdoor werkt het bit namelijk verkeerd in op de paardenmond. Je paard wordt kort in de hals en houdt het hoofd scheef.

 

Twee basisprincipes

Voor het gebruik van de teugelhulpen zijn twee principes heel belangrijk:

  1. Teugelhulpen mag je alleen geven in combinatie met gewichts- en beenhulpen.
  2. Alleen als jouw paard goed over de rug loopt, kunnen je teugelhulpen via zijn mond, nek en rug tot aan de achterhand doorwerken.

Je kunt via de teugels:

  • Geven, toestaan en vragen
  • Contact nemen en aanleuning krijgen
  • Weerstand bieden
  • Begrenzen
  • Sturen

Toestaan of geven
Onder toestaan of ‘geven’ verstaan we de soepel meegaande beweging van de ruiterhand met de mond van het paard, met behoud van contact en aanleuning. Bijvoorbeeld voorwaarts gaan vanuit het halthouden kan niet zonder toestaan. Bij toestaan blijft de druk op beide teugels gelijk. Het geven van de teugel wil zeggen dat je paard zoveel halsvrijheid krijgt, dat het contact met de mond nog net onderhouden wordt. De druk op de teugel wordt minder. Toestaande en vragende teugelhulpen (zie verderop) geef je altijd samen. Of het toestaan of het vragen eerst komt, hangt af van de situatie of de houding van het paard. Belangrijk daarbij is de zachte, dus subtiele dosering vanuit de pols. Dat is alleen mogelijk bij een correcte, rechtopstaande houding van de hand en een elastische pols. In bepaalde situaties is het toestaan vanuit de pols niet genoeg, maar ’sta je toe’ vanuit de elleboog en schouder. Bijvoorbeeld als het paard de gelegenheid moet krijgen de hals langer te maken (denk aan het langer worden bij tempowisselingen). Het toestaan van de hand moet altijd in de richting van de paardenmond plaatsvinden.

Wanneer?
Toestaande en vragende teugelhulpen geef je altijd in combinatie met gewichts- en beenhulpen, bijvoorbeeld:

  • Bij halve ophoudingen, die dienen onder andere om je paard opmerkzaam te maken op een volgende oefening of overgang.
  • Bij hele ophoudingen, dus bij overgangen van de ene gang naar de andere of bij tempowisselingen.
  • Om de houding en de aanleuning van je paard te verbeteren.
  • Als voorbereiding op iedere nieuwe oefening.
  • Als het paard gesteld of gebogen moet worden.
  • (Eventueel) bij het achterwaarts gaan.

Vragen
De vragende teugelhulp geef je door steeds met de nodige intensiteit de hand kort te sluiten of, bij een iets sterkere hulp, je pols iets naar binnen te draaien. Het is heel belangrijk dat je nooit in het vragen blijft steken. Als het paard niet meteen reageert, mag je niet ‘aan de teugel gaan trekken’, maar moet je afwisselend vragen en toestaan. Als na de vragende teugelhulp een toestaande teugelhulp volgt, gaan de handen terug in de basishouding. Je kunt echter ook, zonder te vragen, vanuit de basishouding de hand iets openen of met je hele hand iets naar voren gaan. Het toestaan van de teugels mag niet met een ruk worden gedaan en de teugels mogen niet ‘klapperen’. Je moet dus alleen lichter in de hand worden en mag de elastische verbinding tussen ruiterhand en paardenmond niet verbreken. Na iedere vragende teugelhulp moet een toestaande teugelhulp volgen.

Contact, aanleuning
Onder contact wordt de verbinding verstaan, die je tot stand brengt met de hand via de teugel met de mond van het paard, waarbij de druk op de teugel gelijk blijft. Deze druk mag nooit ontaarden in trekken of het inkorten van de hals. Wanneer de druk van het bit op de lagen in de paardenmond – door het paard wordt beantwoord met de druk die hij neemt op het bit – dit onder invloed van de inwerking van de ruiter met zit en kuit – dan hebben we het over aanleuning. Aanleuning is de licht verende druk op de teugel die het paard aanbiedt, als gevolg van de voorwaartse inwerking van de ruiter nadat deze contact heeft genomen. De aanleuning wordt in de loop van de africhting steeds verder vervolmaakt, zodat het paard op de rechte lijn de teugels gelijkmatig aanneemt en in een wending of volte meer aan de buitenteugel komt. De juiste aanleuning kun je nooit krijgen door een terugwerkende hand. Aanleuning ontstaat alleen doordat je het paard van achter naar voren naar de hand toe rijdt. De aanleuning is op beide teugels gelijk als beide achterbenen even hard werken. 

Weerstandbiedende teugelhulp
Weerstand bieden is het sluiten van de ruiterhand. Je hand blijft op zijn plaats en weerstaat de vermeerderde druk van het paard op het bit. Dit duurt tot het moment dat het paard zich ontspant in nek en kaak, en nageeft, als gevolg van de inwerkende zit- en kuithulp van de ruiter. Deze teugelhulp mag echter niet terugwerken of te lang worden aangehouden. Belangrijk is dat je je hand ontspant op het moment dat het paard het bit loslaat en zijn nek en het kaakgewricht ontspant. Dat geldt op voltes en in wendingen vooral voor de binnenhand. Je gebruikt de weerstandbiedende teugelhulp als het paard de teugels uit de hand trekt of tegen de teugel gaat. Bij totaal nageeflijke paarden kan deze teugelhulp ook, subtiel gedoseerd, de vragende teugelhulp vervangen, bijvoorbeeld bij het achterwaarts gaan of bij ophoudingen.

Begrenzende teugelhulp
De begrenzende teugelhulp vult bij iedere stelling of buiging van het paard de vragende (stelling vragende) binnenteugel aan. Er is sprake van een begrenzende teugel als de ruiter met de buitenhand goed gedoseerd evenveel toestaat als hij de binnenteugel heeft aangenomen. Het paard kan zich nu in de nek stellen of in de hals buigen. Deruiter moet er echter voor zorgen dat de paardenhals niet verbuigt en dat het paard niet ‘over de buitenschouder wegloopt’. Ook bij de begrenzende teugelhulp houd je de hand laag. Als het paard de begrenzende teugelhulp niet genoeg respecteert, kan het nodig zijn met deze teugel even kort een halve ophouding te maken, in zekere zin om het paard te laten opletten.

Sturende teugelhulp
De sturende teugelhulp geeft het paard bij wendingen de richting aan. Vooral bij jonge paarden en bij het aanleren van de zijgangen is deze hulp bruikbaar. De sturende teugelhulp gaat meestal gepaard met de licht vragende teugelhulp, die het paard stelt of voor de wending buigt. Daarom geef je deze met de binnenhand. Je neemt de hand die je voor het stellen of buigen iets vanuit de pols naar binnen hebt gebogen, een paar centimeter van de hals, alsof je de neus van het paard in de betreffende richting wilt sturen. Om deze sturende teugelinwerking te beëindigen of te herhalen, sta je duidelijk toe in de richting van de paardenmond. De sturende teugelhulp geef je bijvoorbeeld bij het inleiden van de wending om de achterhand.

Niet teveel!
Veel ruiters hebben de neiging om de teugelhulpen te sterk te geven, dus te veel met de handen in te werken en te weinig met de gewichts- en beenhulpen. Probeer dit te voorkomen. Jouw hand bepaalt samen met de drijvende hulpen het kader waarbinnen het paard zich mag bewegen. Het nageven in de nek mag je nooit alleen door de teugelhulpen afdwingen, want dit belemmert de totale nageeflijkheid (de durchlässigkeit).

Aan de teugel, lange teugel, losse teugel
Een paard dat in gewillige aanleuning gaat, nageeft op de teugelhulpen en de ruiter zowel in stilstand als in beweging het gevoel geeft van een constante, soepele verbinding tussen hand en paardenmond, ‘gaat aan de teugel’. Een paard gaat aan de lange teugel als hij zijn hals natuurlijk draagt en een constante verbinding met de ruiterhand heeft. De teugels zijn daarbij licht aangenomen, zonder dat van het paard een te sterke afbuiging wordt gevraagd. Er moet een lichte controle over het nageven in de nek blijven bestaan. Een paard gaat aan de losse teugel als er geen verbinding meer bestaat tussen ruiterhand en paardenmond. De teugel houd je vast bij het uiteinde.

Heb je nog vragen over het geven van de teugelhulp of heb je hier nog moeite mee? Vraag dan je instructeur om je te helpen. 

Eerder verschenen in deze reeks Leren Paardrijden:
Op- en afstijgen
Beugels op maat maken
De Zit
De stap
De draf
De galop   
De Hulpen
Gewichtshulp
Beenhulpen

Regels in de rijbaan
Het correct rijden van wendingen
Sturen
Buiging en stelling
Halsstrekken   
Ontspanningsoefeningen
Activiteit en impuls
Tempowisselingen       
Overgangen rijden       
De Middendraf
Doorzitten
Voltes rijden
Halthouden en groeten
Aanleuning en nageeflijkheid
Wijken voor het been  
Hoofd- Halshouding     
Rechtrichten
Het evenwicht van het paard
De verzameling

Meer weten?
In het boek 'Leer Paardrijden met Plezier', dat onderdeel is van de KNHS Ruiteropleiding Brons, vertellen we je alles over leren paardrijden. De KNHS Ruiteropleiding bestaat uit drie fasen (brons, zilver en goud) en leidt op van eerste paardrijles tot en met het hoogst haalbare niveau. De ruiteropleiding wordt aangeboden op FNRS-maneges. De dichtstbijzijnde manege bij jou in de buurt vind je hier. Heb je een eigen paard vraag dan je instructeur om je te helpen de theorie om te zetten in de praktijk. 

Meer informatie KNHS Ruiteropleiding.

Overname tekst- en beeldmateriaal niet toegestaan

Ander Nieuws

  • Deelnemers internationale wedstrijden 24 t/m 30 juni 2019
    Deelnemers internationale wedstrijden 24 t/m 30 juni 2019
  • Schrijf je in voor de KNHS Talentendag
    Schrijf je in voor de KNHS Talentendag
  • Felix Hippisch beloond met Yuki-award voor vooruitstrevendheid
    Felix Hippisch beloond met Yuki-award voor vooruitstrevendheid