­ Internationale sportpaarden: de (lange) weg naar de top - KNHS

Internationale sportpaarden: de (lange) weg naar de top

Geplaatst op 18 januari 2021

Voordat een sportpaard in staat is uit te blinken op het hoogste niveau heeft het een uitgebreid (selectie)traject doorlopen. Hoe zo’n traject verloopt en waarom dergelijk niveau slechts aan een handvol paarden is voorbehouden, maken twee topruiters en een veterinair ons duidelijk.

Dat sommige paarden uiteindelijk in staat zijn parcoursen van 1.60m te bedwingen, de moeilijkste onderdelen in een Grand Prix-proef uit te voeren of een lange vijfsterrencross foutloos en binnen de tijd af te ronden, vindt zijn oorsprong in de natuurlijke aanleg van een paard. In het verlengde daarvan speelt de fokkerij een grote rol. Een alsmaar voortgaande selectie op de gewenste sporteigenschappen legt het fundament voor de juiste aanleg bij sportpaarden in de breedte. Uit dergelijke massa komt vervolgens ook exceptioneel talent voort, dat eventueel weer ingezet kan worden in de fokkerij.

Dressuuramazone Emmelie Scholtens geeft aan dat een bepaalde basis voor een mooie sportcarrière te herleiden is bij veulens. Ze zegt: ‘Het blijft wel altijd een gok. Zelf kijken we niet direct naar de bloedlijn, maar vooral naar de kwaliteit in de drie basisgangen stap, draf en galop. Daarnaast is correctheid heel belangrijk. Want als paarden het lang moeten volhouden, is het fijn als ze correcte voeten en een correcte bewegingsafloop hebben. Qua bouw kijken we nog naar meer zaken, zoals het hebben van een mooie halsvorm en een sterke rug.’ 

 

EIGEN ONTWIKKELING

De TeamNL-amazone heeft in haar leven al mogen schaven aan diverse ruwe diamanten en stond voorheen zelfs bekend als jongepaardenspecialiste. Volgens haar merk je best snel of een paard bovengemiddeld is als je ermee aan de slag gaat. Tegelijkertijd is voorzichtigheid geboden. ‘We willen graag paarden de kans geven. Uit ervaring weten we dat je je oordeel niet te snel klaar moet hebben. Paarden hebben hun eigen ontwikkelingstempo. Sommigen groeien nog enorm naar je toe en anderen uiteindelijk toch niet, waarna op den duur het moment komt om te selecteren’, aldus Scholtens.

Op de vraag met wat voor paarden ze uiteindelijk verder wil, antwoordt Emmelie: ‘Dat is inmiddels een beetje veranderd. Sinds ik Grand Prix rijd, kijk ik anders naar paarden dan toen ik alleen jonge paarden reed tot en met Lichte Tour. Ik denk dat heel veel paarden dat niveau kunnen halen en daarom moet je verschil maken met de paarden die echt geschikt zijn voor het hoogste niveau. Pas als ze zes of zeven zijn, kun je iets zeggen of een paard in staat lijkt de Grand Prix te halen. Er zijn mensen die menen dit al te zien als ze vier zijn. Dat vind ik heel knap, maar ik geloof het niet helemaal.’

 

KLASSIEKE AFRICHTING

Willem Greve is een andere ruiter die meermaals heeft laten zien talentvolle, jonge paarden tot op het allerhoogste niveau te kunnen opleiden. Wanneer heeft een jong springpaard voor hem potentie voor het hogere werk? ‘Sommige paarden zijn exceptioneel. Carambole, Grandorado, Garant en Uceline waren voor mij reeds als jong paard van de buitencategorie. Dat zijn uitzonderingen. De meesten zijn gewoon fijne paarden. Je ziet wat in zo’n paard. Het is wat lastig te omschrijven. Hij moet goede voeten hebben, een goede galop, een mooi oog erin. Je moet er een juist gevoel bij krijgen. Ik probeer paarden vervolgens de kans te geven en ga niet voor de snelle winst.’

De 37-jarige springruiter is een pleitbezorger van wat hij noemt een klassieke africhting, en zegt: ‘Over het algemeen doorlopen mijn paarden een dergelijk traject. Gewoon degelijk, ouderwets africhten, zowel dressuurmatig als in de ring  Ze moeten goed aangalopperen, kunnen schakelen, changeren, goed in het midden springen, links en rechts kunnen landen, enzovoort. Zo maak je ze ook fysiek sterker. Een correct afgericht paard is altijd te verkopen. Daar kun je achter staan.’

 

‘Een vierjarige kun je gerust drie of vier maanden niet rijden’

 

JEUGDERVARINGEN

Paarden op jonge leeftijd zet Greve gedoseerd in, zo maakt hij duidelijk: ‘Een vierjarige laat je drie keer in de week lekker werken en die kun je gerust drie of vier maanden niet rijden of een tijd twee keer in de week longeren. Als hij braaf B of L loopt en zich goed laat rijden, is maximaal twee keer in de maand op concours gaan meer dan genoeg. Lichaam en geest moeten de tijd krijgen te rijpen. En als je met een vijfjarige naar het WK in Lanaken wilt en hij heeft er goed gelopen, hoeft hij in de winter maar een paar keer op concours. Het is wel goed voor een jong paard om een enkele keer drie dagen achter elkaar te springen, dit voor de ervaring en om het lichaam sterker te maken. Een zesjarige gaat wat vaker mee op concours. Ook internationaal in de jongepaardenproeven, maar dat is maximaal vijf keer per jaar. Als hij zonder blikken of blozen rondloopt, hoeft hij helemaal niet vaak mee en zal hij ook thuis niet veel springen.’

Volgens Greve is het belangrijk dat een jong paard een jong paard mag zijn. Hij vertelt: ‘Wout-Jan van der Schans zei ooit tegen me: “Wat jij zelf in je jeugd hebt meegemaakt, vergeet je nooit meer. Voor dingen die je op latere leeftijd meemaakt, geldt dat beduidend minder.” Het is daarom heel belangrijk voor een jong paard dat hij vertrouwen opbouwt en een juist traject doorloopt. Kijk naar een Verdi of naar Carambole. Die zijn op natuurlijke wijze opgeleid. Zulke paarden houden het lang vol. Meedoen aan al die commerciële competities is verleidelijk, maar juist dat moet je daarbij niet vergeten.’

 

ATLETISCH VERMOGEN

Leendert-Jan Hofland is orthopedisch specialist bij DAP Bodegraven en TeamNL veterinair eventing. Hij ziet nog een extra risico bij zeer getalenteerde jonge sportpaarden: ‘Die exceptionele paarden hebben heel veel atletisch vermogen. Daardoor belasten ze de weke delen behoorlijk en dat maakt ze kwetsbaarder. Het betekent dat je de training voorzichtig op moet bouwen. Je moet altijd zorgen voor een goede spieropbouw en banden en pezen laten adapteren aan het werk. Bij een zeer getalenteerde duurt dat langer. Daar moet je rekening mee houden en voorzichtig mee zijn. Als je dat niet goed managet, kan het de verkeerde kant opgaan.’

Bij de veterinaire begeleiding van jonge paarden speelt orthopedisch onderzoek, oftewel kreupelheidsonderzoek, de voornaamste rol, aldus Hofland. ‘Dat doen we veel bij jonge paarden. Als je ziet dat zo’n paard orthopedisch kleine mankementen gaan vertonen, moet het trainingsprogramma naar beneden. De ruiter merkt het vaak zelf, omdat het paard een dipje krijgt in zijn vooruitgang. Als je het goed managet, kun je met je talentvolle paard werken naar jongepaardencompetities. Maar dus wel met het eerste als onmisbare randvoorwaarde. Klasse verloochent zich niet. Bij een exceptioneel paard hoef je je niet gek te laten maken door selecties. Die komen altijd bovendrijven als je het goed aanpakt.’

 

‘Het paardenlichaam past zich in de loop der jaren fysiologisch aan’

 

LEKKER GRAZEN

Hoe verder de paarden van Scholtens opgeleid zijn, des te meer draait het om de details, zo geeft ze aan. ‘Ik train mijn paarden vijf keer per week en rijd nooit langer dan een uur. Ik denk eerder drie kwartier, zeker als ze op een bepaald niveau zijn gekomen. Het gaat meer om de intensiteit dan om de lengte van de training. Op een gegeven kennen ze natuurlijk alle oefeningen. Die vergeten ze echt niet meer. Dan is het meer zaak dat je gaat finetunen en ze nog sterker worden. Daardoor krijg je weer meer expressie.’

Tussendoor staan de paarden op Trainingsstal Witte Scholtens in Gorinchem dagelijks buiten. Emmelie: ‘Dat is weliswaar belangrijk, toch vinden niet alle paarden het leuk om lang in de paddock of in de wei te staan. We kijken goed naar wat ze prettig vinden. Je kunt het een beetje vergelijken met humane topsporters. Dat zijn ook niet altijd de meest geduldige types. Desperado N.O.P. kan overigens wel uren in de paddock staan. Lekker grazen en gewoon paard zijn.’

Ook bij Willem Greve op stal in Markelo is veel aandacht voor het (mentale) welzijn van de paarden. Hij zegt: ‘Ze komen allemaal in de wei, in de stapmolen, lopen aan de longe, gaan de bossen in en draven op straat. Heel gevarieerd werk om ze fris te houden.’

 

CONDITIETRAINING

In hun opbouw naar het allerhoogste niveau gaan springpaarden mee in de slipstream van de gearriveerde toppers, legt Willem uit. ‘Het is belangrijk dat je een goed groepje paarden hebt. Je hebt je eerste paarden, die al verder zijn, zoals Zypria S N.O.P. en Carambole. Zij trekken de kar. Het groepje daarachter kan dan een keer op een viersterren concours de dikke proef op zaterdag lopen of bijrubrieken lopen op die grote terreinen, zoals in La Baule of Rome. Je verlegt je grenzen. Misschien dat een paard het in het begin nog wat minder doet op 1.60m, maar dan is een 1.50m-proef alweer makkelijker voor hem. Zo’n paard wordt sterker, mentaal volwassener en heeft wat meer gezien van de wereld.’

Voor de eventingpaarden is een juiste opbouw in wedstrijdbelasting zo mogelijk nog belangrijker. ‘In principe kunnen ze per jaar maar twee blokken met een lange cross lopen, aldus Hofland. ‘De basis vormt de conditietraining en die opbouw duurt bij een jonger paard langer dan bij een ervaren internationaal paard. Zijn bloedsomloop moet nog beter worden; hij moet meer huid- en spierdoorbloeding krijgen en lactaat kunnen afvoeren. Het lichaam past zich in de loop der jaren fysiologisch aan.’

 

‘De hele goede paarden doen wat extra’s in de ring’

 

INSTELLING

Als uiteindelijk exceptionele aanleg, vele jaren van juiste trainings- en wedstrijdopbouw, een ideale leeftijd en het juiste management op het gebied van voeding en verzorging bij een paard samenkomen, is het nog altijd de vraag of het allerhoogste niveau succesvol wordt bereikt. Juist dan komt iets om de hoek kijken dat meer ongrijpbaar is. Scholtens: ‘De hele goede paarden doen wat extra’s in de ring. Dat merk ik heel goed. Je hebt er ook bij die een paar tandjes terugschakelen. Dan wordt het heel moeilijk om Grand Prix te rijden. Apache bleef bijvoorbeeld heel moeilijk op het voorterrein, maar als je bij A binnenkwam, ging er een soort knopje om en deed hij zes minuten zijn best. Heel bijzonder. Bij Desperado dachten mensen vroeger dat hij het allemaal wel prima vond, maar die heeft in de ring juist een drang om het goed voor je te willen doen. Ik heb echt het idee dat ze weten dat het moet gebeuren op het moment dat je binnenrijdt.’

Greve sluit zich aan bij deze woorden: ‘Je weet het pas echt als ze het daadwerkelijk doen. Er zijn paarden, waarvan je denkt, hoe kan het toch? Dat had ik nooit verwacht toen hij jong was. En er zijn paarden waarvan je heel veel verwachtte, maar als puntje bij paaltje komt, en ze moeten net die twee gaatjes hoger springen of die tien centimeter breder, laten ze het zitten. Het heeft aan het eind van de rit allemaal met instelling te maken en dat weet je pas als ze de taak voorgeschoteld krijgen. Wel kun je dat karakter als combinatie enigszins in de juiste richting vormen.’

 

SPECIFIEKE HANDLEIDING

Op de vraag hoe bijzonder het is als een bijna gearriveerd paard net dat extra wil geven, antwoordt Greve: ‘Daar zitten zoveel uren tijd en toewijding in en als dat op het juiste moment op zijn plek valt, geeft dat heel veel voldoening. Dat is gewoon een kick. Het gebeurt alleen vaker niet dan wel. Wil het paard het voor jou doen? Daar gaat het op het eind van de rit om. Wat is bijvoorbeeld de kracht van Maikel van der Vleuten? Hij zit het paard nooit in de weg. Die paarden willen voor hem springen. Hij ergert zich nooit aan het paard en doet wat een paard fijn vindt. Dat is waar het om gaat. We moeten het uiteindelijk samen doen. Wij proberen de paarden altijd zo optimaal mogelijk te laten voelen, mentaal en fysiek. Het ene paard heeft wat anders nodig dan het andere en het heeft tijd nodig voordat je voor ieder paard de specifieke handleiding vindt. Dat duurt jaren.’

Leendert-Jan Hofland benadrukt tot slot ook de individuele verschillen bij paarden: ‘Het is onvoorstelbaar en niet helemaal voorspelbaar hoe dergelijke verschillen een rol spelen. Hierdoor weet je bij paarden nooit zomaar van te voren of het daadwerkelijk een topper wordt. Ik hoorde ooit van een etholoog dat sommige paarden qua instelling zo in elkaar steken dat ze dat werk gewoon mooi vinden. Het is alsof ze er om vragen.’

 

 

Reis en verblijf

Van internationale toppaarden, met de springpaarden voorop, is bekend dat ze gedurende het wedstrijdseizoen de nodige reiskilometers maken. Daarnaast verblijven ze op concours meerdere dagen op een voor hen vreemde locatie. In hoeverre spelen deze aspecten nog een rol in het proces richting de top? ‘Dat gaat zeker op’, meldt Leendert-Jan Hofland. ‘Er zijn paarden die moeilijk kunnen reizen en soms moet daar een programma op worden aangepast. Op concours zijn vaak de introverte, rustige paarden op stal de beste. Zij schakelen af en staan er weer als het moet gebeuren.’

Emmelie Scholtens en Willem Greve benadrukken het lerend vermogen en de gewenning die optreedt bij paarden tijdens reizen en verblijf in den vreemde. Scholtens: ‘Daar groeien ze echt in. De meeste paarden die ik op hoog niveau heb gereden, hebben vaak al als jong paard alles gezien en gedaan.’ En Greve: ‘Bij de een duurt het wat langer dan bij de ander. In principe is het zo dat als je paarden met verstand behandelt ze heel leerzaam zijn.’

 

Topsportpaarden en hitte

Vanwege de hitte ontstond er in de zomer van 2020 discussie over het doorgaan van het NK Springen op het Equestrian Centre de Peelbergen en van het nabijgelegen Dutch Open Eventing in Kronenberg. Willem Greve, deelnemer op het NK, is duidelijk: ‘In mijn optiek is het klinkklare onzin dat er zo’n ophef over wordt gemaakt. Als die paarden genoeg water krijgen met elektrolyten erbij is er niks aan de hand. Ze behoren fit en topgetraind te zijn, stonden in stallen met ventilatoren en werden in geïsoleerde hallen losgereden. Die paarden hebben geen appjes met hittealert en code oranje. Ze passen zich gewoon aan.’

Veterinair Hofland benadrukt dat de temperatuur alleen niet zaligmakend is: ‘Het gaat om een combinatie van temperatuur en luchtvochtigheid, dat heet de wet-bulb globe temperature. Dat is één aspect. Daarnaast is het beste wapen tegen thermische overbelasting een goede conditie. Dat is internationaal al duizend keer bewezen. Belangrijk is dat direct na het werk het zweten stopt, vanwege het verlies aan elektrolyten. Goed koelen is essentieel en een stukje precooling wil ook wel helpen. We zijn daar mee bezig in de aanloop naar de Olympische Spelen.’

Ook in Tokio worden pittige omstandigheden verwacht. Ter plaatse zal er alles aan gedaan worden om het verblijf voor de paarden zo comfortabel mogelijk te maken. Hofland: ‘De FEI heeft nog iets belangrijks gedaan voor de eventingpaarden, en dat is de cross korter gemaakt. Dat maakt de belasting substantieel anders. Er moeten sowieso conditioneel goede paarden naartoe en wij zullen ze intensief monitoren.’

 

Hypergevoelige sportpaarden

Dr. Andrew McLean is mondiaal een grote naam op het gebied van training en gedragsleer bij paarden. De Australiër verklaart waarom het van belang is dat extreem getalenteerde paarden in de juiste handen terechtkomen: ‘In vroegere tijden waren sportpaarden op het hoogste niveau vergelijkbaar met de andere paarden. Toen de paardensport in de jaren vijftig en zestig flink groeide en zich verplaatste van het militaire domein naar dat van de gewone maatschappij, nam ook de fokkerij een hoge vlucht. Paarden werden steeds selectiever gefokt op beweging en prestatie. En als je selecteert op een bepaalde eigenschap zie je vaker dat je onbedoeld ook andere eigenschappen meekrijgt. Dit noemen we gekoppelde genen, en juist bij het fokken op beweging kwam hypersensitiviteit als eigenschap mee. Langzamerhand werd duidelijk dat het moderne sportpaard veel sensibeler is dan zijn vroegere voorganger.’

Volgens McLean heeft dit gegeven gevolgen voor ruiters. Hij zegt: ‘Over het algemeen zijn deze zeer gevoelige paarden slechts geschikt voor topruiters en eerder een gevaar voor recreatieve ruiters. Hypergevoeligheid brengt een range aan gedragingen met zich mee, zoals een grotere neiging om te schrikken, vluchten en bokken. Paarden hebben heel goed door of een ruiter effectief is of niet. Dat komt omdat verwarrende communicatie van de ruiterhand, benen en zit ze angstig kan maken, waarbij het er sterk op lijkt dat paarden heel goed tegenstrijdige emoties en zenuwen bij een ruiter kunnen detecteren.’    

In de volgende editie van Paard&Sport brengen we een uitgebreid interview met Andrew McLean.

 

Dit artikel verscheen eerder in Paard&Sport najaar 2020. Paard&Sport is het officiële ledenmagazine van de KNHS voor alle leden vanaf 13 jaar en vast onderdeel van het KNHS-lidmaatschap. Meer informatie vind je hier.

 

©KNHS 2021, overname is niet toegestaan

Foto's: Arnd Bronkhorst Photography

Ander Nieuws

  • CORONA-UPDATE: BIJNA ALLE MAATREGELEN OPGEHEVEN, VANAF 26 JUNI, WEDSTRIJDEN WEER TOEGESTAAN
    CORONA-UPDATE: BIJNA ALLE MAATREGELEN OPGEHEVEN, VANAF 26 JUNI, WEDSTRIJDEN WEER TOEGESTAAN
  • KNHS Young Leaders in gesprek met Cees Roozemond
    KNHS Young Leaders in gesprek met Cees Roozemond
  • KNHS-Witte van Moort Para-Dressuur Trophy weer van start
    KNHS-Witte van Moort Para-Dressuur Trophy weer van start